Soorten sprookjes en verhalen

  1. De sage
    Een sage is een mondeling overgeleverde volksvertelling die gepresenteerd wordt als een waar gebeurd verhaal. Het woord ‘sage’ (= was gesagt wird, wat gezegd wordt) wijst reeds op het belang van de mondelinge overdracht. Een sage heeft, in tegenstelling met het sprookje en de mythe, een historische kern, vaak met tijd- en plaatsaanduidingen. Doordat sagen doorverteld werden, kwamen ook hoe langer hoe meer vervormingen voor. De oudste sagen zijn de Oud-IJslandse saga’s die opgetekend werden tussen de 12de en de 14de eeuw. Ze handelen vaak over koningen en helden.
     
  2. De mythe
    Een mythe geeft een vorm van een verklaring, een symbolische voorstelling hoe de wereld geworden is tot wat hij nu is, of ze geeft een verklaring van de betekenis van de vaste elementen van het bestaan, zoals: waarom is er honger, ziekte en dood? Waarom is er ouderdom? Hoe komt het dat er vuur is op aarde? Waar komen de planten en de dieren vandaan? Een mythe handelt dus over levensvragen die moeilijk te begrijpen zijn. In onze westerse wereld heeft de Griekse en in mindere mate ook de Romeinse mythologie een weergaloze verspreiding gekend. Met de komst van de wetenschap zijn heel wat natuurkundige en menselijke problemen verklaard. Dit betekent echter niet dat de mythe gedoemd is om geheel te verdwijnen. In deze technologische tijd roept de wetenschap evenveel vragen op als ze beantwoordt. De hedendaagse mens probeert mythen te creëren die hem moeten verzoenen met deze problemen.
     
  3. De parabel
    De parabel is een bijzondere vorm van gelijkenis, waarin geprobeerd wordt een diepere zedenles te verduidelijken in een aanschouwelijk, menselijk verhaal. In deze zin is de parabel verwant met andere didactische of wijsheidsliteratuur, zoals de allegorie (= een voorbeeldverhaal gebaseerd op een uitgewerkte vergelijking). De parabel verduidelijkt in een zelfstandig verhaal met menselijke hoofdfiguren rechtstreeks wat het wil ‘leren’. Meestal wordt de parabel in een plechtig aandoend taalgebruik weergegeven. Als verhaalvorm is de parabel ons het meest bekend uit het Nieuwe Testament, maar ook in de boeddhistische literatuur komt het genre veelvuldig voor.
     
  4. De legende
    Een legende is een volks verhaal over Jezus of over heiligen, waarin meestal wonderen gebeuren. Het woord komt van het Latijnse ‘legenda’, wat betekent ‘wat gelezen moet worden’. Door de vermenging van een historische kern, namelijk een heiligenleven, met gegevens die de verbeelding aanspraken, groeide de legende uit tot de godsdienstige tegenhanger van de sage, he of wijsheidsliteratuur.
     
  5. De fabel
    De fabel is een verhaal, meestal berijmd, waarin vooral dieren en ook planten optreden als menselijke wezens. Dit wordt dan gevolgd door een zedenles. Door de combinatie van dierlijk handelen met menselijk denken wordt het in een fabel mogelijk menselijke zwakheden en wantoestanden op de korrel te nemen, zonder persoonlijk te hoeven worden. De mens wordt een spiegel voorbehouden. Om deze reden rekent men de fabelliteratuur ook tot de didactische of wijsheidsliteratuur.
     
  6. Het sprookje
    Het sprookje (verwant aan het woord ‘spreken’), verhaalt op een eenvoudige, overzichtelijke manier de strijd tussen goed en kwaad, waarbij het goede het uiteindelijk haalt (sprookjesgeluk). Het sprookje speelt zich af in een wonderlijke, gefantaseerde wereld: er wordt getoverd, dieren kunnen praten, doden worden weer levend… Niets is in het sprookje onmogelijk, want de fantasie heerst er volkomen vrij. Als lezer moet je dan ook bereid aan te nemen dat de realiteit van de sprookjeswereld anders is dan de onze.
     
  7. Het dierensprookje
    Omdat dieren reeds altijd tot de natuurlijke omgeving van de mens behoord hebben (als vriend, vijand, huisdier...) heeft het gedrag van die dieren de mensen ook altijd al geboeid en geïnspireerd. Mondelinge verhalen moeten er ongetwijfeld bijna evenveel zijn als verhalen over medemensen. In die verhalen beschikken dieren soms over magische krachten die zij in de natuur eigenlijk niet hebben. Zo leidde het onverklaarbare van sommige natuurverschijnselen ertoe, verhalen te vertellen of te schrijven waarin dieren allerlei wonderlijks beleefden. Mensen hadden die verhalen nodig om bepaalde zaken uit te leggen, te duiden.
    Merkwaardig is wel dat bij alle volkeren het dier in de sprookjeswereld een zeer belangrijke plaats heeft ingenomen. In dierensprookjes worden dieren bewust vermenselijkt, meestal met de bedoeling de mensenwereld door middel van de dierenwereld uit te beelden. Het spreekt vanzelf dat de meeste kenmerken van het sprookje in het algemeen ook in het dierensprookje terug te vinden zijn.