Het dwergmutsje

Er was eens een molenaar, die drie zonen en één dochter had. Van zijn dochter hield hij heel veel. Maar om zijn zonen gaf hij niets. Waarom? zal je vragen. Och, dat zou de vader misschien zelf niet eens kunnen zeggen. Het was nu eenmaal zo. De jongens vonden dat heel erg, want ze deden toch altijd hun best in de molen van hun vader. Ze zorgden ervoor, dat het koren van de klanten werd gemalen. En ook, dat het meel bij hen werd afgeleverd. Kortom, ze hielpen hun vader zoveel ze konden. Als ze 's avonds bij elkaar zaten, gebeurde het dikwijls, dat ze erover klaagden dat hun vader zo onvriendelijk tegen hen was. Op zekere avond, terwijl ze weer zo met hun drieën bij elkaar zaten, kwam er een mannetje de heuvel, waarop de molen stond, op strompelen. Hij had een knoestige stok in zijn hand en stapte op de drie jongens toe.
„Ik heb de hele dag gelopen," klaagde hij, „en ik heb nog geen kruimel brood gehad. Geef me asjeblief wat te eten. Anders ga ik dood van de honger." „Natuurlijk!" zeiden de jongens. „Ga maar even hier zitten. Dan halen we wat." Een ogenblik later stond er brood met heerlijk spek voor het kereltje. De jongens hadden schik, toen ze zagen hoe snel het mannetje alles naar binnen schrokte.
Ze hadden heel wat voor hem gehaald. Maar het ging allemaal op. Toen scheen hij toch genoeg te hebben. Hij wreef met de rug van zijn hand zijn mond af en hij zei:
,,Hartelijk dank voor dat heerlijke maal. Maar voordat ik wegga één vraag: Waar hadden jullie het daarstraks over. Jullie keken zo ernstig." „Ach, goede man," antwoordde de oudste, „daar zal jij toch niet veel aan kunnen veranderen. We bespraken onder elkaar, dat het toch zo jammer is, dat vader altijd zo nors en onvriendelijk tegen ons doet. We zouden dat zo graag anders hebben. We doen toch alles, om het hem naar zijn zin te maken." „Ja," antwoordde het mannetje, „ik weet, dat je vader geen gemakkelijk mens is. Die denkt altijd maar, dat hij het in de wereld veel verder had kunnen brengen. Die molen hier is hem altijd te min geweest! Maar hij moest nu eenmaal blijven, want hij moest toch leven. Kijk eens! Als jullie op de een of andere manier zouden kunnen zorgen, dat hier wat meer geld, wat rijkdom kwam, dan zou je eens zien, hoe hij veranderde." „Sja!" zei een van de jongens. „Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Hoe moeten wij daarvoor zorgen? Een molen is een molen. En het blijft een molen. En daar kan je niet méér geld mee verdienen, dan we nu doen." „Ja, maar dat is 't nu juist, waar ik het met jullie over wilde hebben. Ik houd ervan het land door te trekken. En mensen te zoeken, die goed voor een ander zijn. Zo kwam ik vanavond ook de heuvel van jullie molen op. Ik wilde Jullie op de proef stellen. Het eten, dat jullie me gegeven hebben, had ik heus niet nodig. Kijk maar 's in mijn tas." De jongens zagen daarin allerlei heerlijks liggen. Zelfs koeken en een stuk taart. Hij deelde alles onder de drie jongens uit. Nou, die waren dat niet gewend. En ze aten het met veel smaak op.
„Omdat ik gemerkt heb, dat jullie goede jongens zijn," zo ging het oude mannetje verder, „wil ik je een raad geven. En dat is het volgende. Hier niet ver vandaan, in de Groene Bergen, ligt een slot, onder de aarde. Daar liggen grote rijkdommen aan goud, zilver, diamanten en edelgesteenten opgestapeld. Dat slot is van de kabouters. Maar dat zijn geen gewone kabouters. Nee, die zijn heel anders. Die kun je namelijk niet zien! Ja, vreemd hè? Ze dragen rode mutsjes. En elke avond gaan ze naar een weide en spelen daar met hun mutsjes. Een ieder op zijn beurt gooit zijn rode mutsje in de lucht. Zolang dat mutsje in de lucht is, kun je de kabouter zien staan. Maar als ze het mutsje weer hebben opgevangen, roetsj . . . dan zie je ze niet meer. Als je daar dus op of bij die wei bent, dan zie je een ogenblik een kabouter. En het volgende ogenblik is-ie weer verdwenen. En die kereltjes zijn daar o zo vlug mee. Een enkel keertje gebeurt het wel, dat er een zijn mutsje te ver weg gooit. Als er dan iemand in de buurt is, die dat mutsje grijpt, dan blijft die kabouter zichtbaar. Je kunt hem dus zien. En je kunt hem dwingen alles te vertellen, wat hij weet. Op die manier zou je erachter kunnen komen, hoe je in dat slot onder de aarde kunt komen. Ben je eenmaal zover, dan is het maar een kleine moeite om rijk te worden. Want de kabouters hebben daar schatten aan goud en zilver bij elkaar staan. Die breng je dan bij je vader. En je zult zien, hoe blij hij is, als hij ziet, dat hij zijn leven lang niet meer hoeft te werken." De jongens hadden met open mond geluisterd. Dat was nog eens iets! Ze bedankten het mannetje hartelijk voor zijn goede raad. Toen het kereltje weer verdwenen was, spraken ze af, dat de oudste 't eerst zou gaan. Ze wilden natuurlijk wel graag allemaal tegelijk. Dan hadden ze veel meer kans. Maar wie moest dan het werk op de molen doen? De volgende morgen ging de oudste op pad. Hij moest de hele dag lopen, voordat hij bij de Groene Bergen kwam. Hij ging op de weide achter een dichte struik liggen en wachtte af... Tegen de avond hoorde hij plotseling stemmen, die door elkaar schreeuwden. Wel erg lichte stemmen, maar zo allemaal bij elkaar was het toch wel een heel lawaai. Hij keek en keek, maar hij zag niets. Hij begreep natuurlijk wel, dat het de kabouters waren, die naar de weide gingen om daar te spelen. En hun mutsjes in de lucht te gooien. En ja hoor! Daar zag hij het eerste mutsje omhoog vliegen. En tegelijk een kabouter, die klaar stond om het weer op te vangen. Dat scheen voor alle kabouters een teken te zijn, om allemaal met het spelletje te beginnen. En een ogenblik later zag de jongen zeker wel honderd mutsjes de lucht in vliegen. Eén ogenblik zag hij de kabouters. Maar het volgende ogenblik waren ze weer verdwenen. Er waren kereltjes, die niet bang waren. Die gooiden hun mutsjes niet recht omhoog, maar een eindje van zich af, en liepen er dan heel gauw naar toe om het weer op te vangen. Eén keer had een kabouter zijn mutsje zo ver weggegooid, dat het dicht bij de jongen neerviel. De jongen sprong van achter de struik te voorschijn en wilde het mutsje pakken. Maar de kabouter was hem vóór. Die greep het nog net onder zijn handen weg. Tegelijk schreeuwde het kereltje: „Pak 'm. Pak 'm!!" Op dat geroep werden ineens alle kabouters zichtbaar. De molenaarszoon dacht, dat hij die kleine kereltjes wel aankon. Maar dat had hij mis. Er waren er zoveel! Er schenen van alle kanten nieuwe horden kabouters te komen om de anderen te helpen. Ze kwamen met dikke koorden en touwen aandragen. En het duurde niet lang, of de jongen lag gebonden en kon geen vin meer verroeren. Er kwamen platte wagentjes aanrijden en daar werd de gevangene op gelegd. Zo werd hij naar het onderaardse slot gebracht. De twee andere zonen wachtten. Maar hun oudste broer kwam niet terug. Ze begrepen er niets van! Waar bleef hij toch? Ze begonnen bang te worden. Er zou hem toch niets zijn overkomen? De twee jongens die achterbleven, hadden hun vader verteld, waar de oudste heen was.
„Nou! 't Is maar goed, dat hij niet teruggekomen is. Die heeft zijn straf verdiend. Zonder toestemming te vragen, weg te gaan! Maar het is goed hoor! Er is weer één mond minder te eten te geven. En het komt nog best uit ook. Want het is nu toch niet zo druk op de molen." De twee andere jongens wachtten en wachtten. Maar hun broer bleef weg. Dat duurde zo lang, dat ze het niet langer konden uithouden. „Ik ga hem zoeken," zei de tweede zoon. ,,Misschien heeft hij een ongeluk gehad en kan ik hem helpen daar in de Groene Bergen. Maar beloof me: als ik niet terugkom, dan ga je naar me zoeken. Want dan zal ik je hulp wel nodig hebben." „Daar kun je op rekenen," zei de jongste zoon. En zijn broer ging weg. Hij had een flinke zak brood meegenomen en een dikke wandelstok in zijn hand. Hij liep langs weiden, door bossen en over heuvels, tot hij bij de Groene Bergen kwam. Net als zijn broer ging ook hij achter een struik liggen en wachtte af. En daar begon het spelletje weer. Een van de kabouters had de molenaarszoon ontdekt. Hij gooide zijn mutsje heel dicht naar hem toe. De jongen sprong op, maar net even te laat. De kabouter was hem voor. En daar had je het geschreeuw weer: „Pak hem. Pak hem!" Zo werd ook de tweede zoon door de kabouters gevangen. Ook hij werd zo strak gebonden, dat hij geen vin meer kon verroeren. En de mannetjes namen hem mee naar hun onderaardse slot. De jongste broer zat te wachten, te wachten, maar zijn broer kwam niet terug. Er verliepen drie, vier, vijf dagen, maar de jongen liet zich niet zien.
De molenaar sprak: „Nou, die heeft 't daar zeker ook zó naar zijn zin, dat hij niet meer terugkomt. Mij best! Wie 't ergens anders beter bevalt, die blijft maar weg. Ik zal me wel zien te redden. Zonder die leeglopers kan ik het ook wel stellen." De jongste zoon vond die woorden van zijn vader niet erg aardig. Waarom sprak de molenaar toch zo over zijn jongens? Hadden ze niet altijd hard voor hem gewerkt? En waren ze er niet opuitgegaan, om voor hun vader wat meer geld te krijgen? Eindelijk kon de jongste zoon het niet langer uithouden. „Ik ga ze zoeken!" zei hij tegen zijn zuster. „Vannacht, als vader in bed ligt, ga ik weg. En ik kom niet terug, voordat ik mijn twee broers gevonden heb." Het meisje begon te schreien. Ze smeekte hem te blijven. Ze was o zo bang, dat ook hij een ongeluk zou krijgen. En dat ze ook hem niet meer terug zou zien. Dan bleef ze alleen met haar vader over. Maar de jongen wilde beslist weg.
„Wees maar niet bang! Mijn twee broers zijn vast wat onvoorzichtig geweest. Maar reken erop, dat ik wél terugkom. En je weet toch, dat ik beloofd heb te gaan zoeken, als ze niet terug zouden komen?" Er was dus niets tegen te doen. De jongen ging ook op stap. Zijn zuster had ook voor hem een flinke zak met brood klaargemaakt. En tegen de avond kwam hij bij de Groene Bergen. Aan het platgetrapte gras zag hij, waar de kabouters altijd bij elkaar kwamen. En ja hoor! Een paar minuten later zag hij het eerste mutsje al omhoog vliegen. Daarna een tweede, een derde, een vierde. En toen gingen ze bij tientallen tegelijk de lucht in. De jongen deed net alsof hij sliep, maar door zijn oogharen keek hij scherp toe. Een van de kereltjes gooide zijn mutsje in de richting van de jongen. Maar die liet het rustig liggen.
„Er komt wel een betere kans," dacht hij. „Het kereltje zal wel gaan denken, dat ik heus slaap. En dat moet ik hebben. Hij zal wel steeds dichterbij komen." En dat gebeurde ook. De kabouters begonnen er een spelletje van te maken. Ze gooiden hun mutsjes vlak naast de jongen. Maar hij deed nog steeds alsof hij sliep. Eindelijk was een van de kabouters zo brutaal, zijn muts vlak naast de hand van de molenaarszoon te gooien. De jongen greep meteen toe en had het mutsje stevig vast. Wat ging dat kereltje te keer!
„Pak hem. Pak hem," gilde de kabouter. Maar omdat de jongen het mutsje in zijn hand had, konden ze hem niets doen. En ze waren nu ook allemaal zichtbaar geworden. Ze begonnen te bidden en te smeken het mutsje terug te geven, maar de jongen bleef het stevig vasthouden. Een van de kereltjes klom zelfs tegen hem op, maar hij schudde hem van zich af. „Och, geef mijn mutsje toch terug," smeekte de kabouter. „Je kan er alles voor krijgen, wat je maar hebben wilt." Ha, dacht de jongen, nu zijn we waar we wezen moeten. „Nou," antwoordde hij, „begin dan eerst maar eens met me te vertellen, waar mijn twee broers zijn." De kabouter keek de andere mannetjes aan. Zouden ze daar wel antwoord op geven? Ze hadden zoveel moeite gehad, ze te pakken te krijgen.
Eindelijk kwam er een kabouter naar voren. Hij was een klein beetje groter dan de andere. Hij zei: „Je twee broers zitten onder de aarde gevangen. Die hebben ook geprobeerd een van de mutsen te pakken te krijgen. Maar die zijn niet zo gelukkig geweest als jij. Ze zullen daar altijd moeten blijven." „En wat moeten ze daar dan doen?" vroeg de jongen weer. „Ze zijn onze slaven." „Nou, dan is mijn eerste vraag naar mijn broers gebracht te worden. Daarna zullen we nog wel eens verder zien." De kabouters keken elkaar opnieuw aan. Maar ze begrepen, dat er niets anders op zou zitten. Ze gingen de jongen voor naar de ingang van hun slot in de Groene Bergen. Alle kabouters gingen naar binnen. En de jongen, nog steeds met het mutsje in zijn hand, volgde hen. Hij kwam in een kasteel, waar alles er even schitterend uitzag. Mooie tafeltjes en stoeltjes, prachtige kleden aan de wand, kortom, in een koningspaleis kon het er niet mooier uitzien.
De jongen keek eerst even rustig om zich heen. Toen gaf hij bevel zijn broers te halen. Even later werden ze binnengebracht. Maar wat zagen ze eruit! Hun kleren hingen met rafels aan elkaar. Zo hard hadden ze moeten werken. Toen de twee jongens hun jongste broer zagen, riepen ze uit:
„Nu is alles verloren! Nu is er geen enkele kans meer hier nog uit te komen. We hadden op jou gehoopt. Maar ze hebben jou ook te pakken gekregen. Nooit zien we onze zuster terug. Nooit meer de blauwe hemel, nooit meer de gele korenvelden, nooit meer de molen van onze vader. Nooit meer..." Maar de jongste broer viel hen lachend in de rede. „Je hebt het helemaal mis. Ik kom hier niet als gevangene van de kabouters. Nee, het is andersom. Zij zijn nu de gevangenen van mij. En ze moeten alles doen wat ik hun zeg. Kijk maar hier!" En hij hield het mutsje in de hoogte. Daarna riep hij tegen de kabouters: „Zorg ervoor, dat er direct drie stel van de prachtigste kleren hier komen. Twee stel voor mijn broers. En één stel voor mij. Maar denk erom: kleren zoals ze aan het hof van de koning worden gedragen." De twee broers stonden met open monden te luisteren. Ze konden hun oren niet geloven. Ze waren door die gemene kereltjes alleen maar afgesnauwd en afgebeuld. Ze mochten nooit een woord terugzeggen. En daar stond nu hun jongste broer. En die durfde de kabouters bevelen te geven! De kabouters schenen doodsbenauwd voor hun broer te zijn. Het duurde dan ook niet lang of er lagen drie stel kostbare kleren voor hen klaar. Ze zouden daarmee bij elk koninklijk hof aan kunnen komen. „Ziezo," ging de jongste molenaarszoon verder. „En nu een heerlijke maaltijd! Denk erom: we zijn als prinsen gekleed. En we willen dus ook een prinselijk maal. En een beetje gauw asjeblief. We hebben vandaag nog méér te doen." De kabouters vlogen om de bevelen van de jongste zoon uit te voeren. Even later stond er een maaltijd op tafel, die werkelijk koninklijk kon worden genoemd. Geurige soep, gebraden kalkoenen gevuld met heerlijke vruchten. Verder de fijnste vis, die er maar gevangen kan worden. En jonge worteltjes en doperwtjes. En tot slot ijs met een fijne pudding na. Wat deden de drie broers hun best! Vooral de twee, die een poos bij de kabouters gevangen hadden gezeten en zo hard hadden moeten werken.
Alles smaakte even lekker. En als een van de schotels leeg was, vlogen de kabouters weg, om weer een volle te halen. Eindelijk waren ze alle drie voldaan.
Nadat de jongste een laatste teug uit zijn wijnglas had genomen, ging hij er eens rustig voor zitten. En hij zei tegen de kabouters: „Ze hebben me verteld dat hier wel eens prachtige feesten worden gegeven. Met feestelijke verlichting. En dat alle kabouters dan laten zien, wat ze allemaal voor kunstjes kunnen. Ik wil, dat dat hier vanavond ook gebeurt." De kabouters keken elkaar even aan. „Nou, komt er nog wat van?" riep de jongen. „J ... ja," riep een van de kabouters. En allemaal stoven ze weg. Er kwamen drie gemakkelijke stoelen voor de drie broers. Alles werd schitterend verlicht met lampjes in allerlei kleuren, groen, rood, geel, blauw! De drie broers waren heerlijk in de drie stoelen gaan zitten. En ze konden nu van een vertoning genieten, die ze misschien nooit meer in hun leven zouden zien. De kabouters deden allerlei kunstjes. Ze dansten met elkaar, gingen op elkaars schouders staan en voerden toneelstukjes op, die soms wel een half uur duurden. De drie broers raakten niet uitgekeken. En het slot was, dat alle kabouters op elkaar gingen staan, zodat het een brede, hoge toren werd. Toen de voorstelling afgelopen was, fluisterde de oudste zijn jongste broer in zijn oor, dat hij moest vragen om het hele onderaardse rijk eens te mogen zien. De jongste deed dat en er kwam meteen een gouden koets aanrijden, met zes schimmels ervoor. De drie zonen gingen in de koets zitten. En daar reden ze in snelle vaart weg. Wat een pracht overal! Niet alleen het onderaardse slot, waar de kabouters woonden. Nee, ze kwamen wel honderd van die kastelen voorbij. Het ene nog schitterender dan het andere. En allemaal met prachtige tuinen en fonteinen, waaruit het water hoog opspoot. Ze kwamen voorbij hele bergen gouden munten, gouden kettingen, gouden oorbellen. En dat alles was zó prachtig, dat ze soms voor de schittering hun ogen even moesten dichtdoen.
Eindelijk hadden ze alles gezien. Toen vroeg de kabouter aan de jongste zoon wat hij moest geven om zijn mutsje weer terug te krijgen. Ja! Daar moest de jongen eens even rustig over nadenken. Hij zei tegen de kabouters hem en zijn twee broers even alleen te laten. En toen maakten ze met hun drieën een lijst op van alles, wat ze aan de kabouters zouden vragen.
De dwergen mochten weer binnenkomen. En ze hoorden toen, wat er door de drie broers verlangd werd: Allereerst een toverdrank. Die moest ervoor zorgen, dat de vader meer van zijn zonen zou gaan houden.
Nou, daar konden ze op rekenen, zeiden de kabouters. Maar de drie broers waren nog lang niet klaar. En ze gingen door:
„En dan nog een grote wagen met alles, wat een prinses nodig heeft, als ze gaat trouwen." Dat wilden ze aan hun zuster geven, omdat die altijd zo goed voor hen was geweest. Ten derde vroegen ze nóg een grote wagen, boordevol met goud en zilver, diamanten en edelstenen, zodat ze hun hele leven niets meer zouden hoeven te doen. En tenslotte een prachtige, grote koets, met zes paarden bespannen, die hen naar de molen van hun vader terug moest brengen. Wat gingen de mannetjes te keer, toen ze dat allemaal hoorden. Eerst wilden ze het niet doen, maar toen begon de jongste met het mutsje te zwaaien. En hij zei, dat ze dat mutsje dan nooit meer terugkregen. En dat het dan ook met hun macht afgelopen zou zijn. Ja, toen zagen ze wel in, dat er niets anders opzat dan aan al die eisen maar te voldoen.
Hoe was het intussen op de molen met de molenaar? Die zag geen enkele van zijn drie zonen terugkomen. Aan één kant was het niet zo erg. Er kwamen toch steeds minder boeren met hun koren naar de molen, zodat hij het gemakkelijk alléén af kon.
„Nou! Laten die niksnutten maar wegblijven," bromde hij. „Wat heb ik aan die drie mee-eters hier in huis?" Maar zijn dochter had al die dagen zitten huilen. Ze zei: „Och vader! Hoe kunt u toch zo spreken? Ze hebben toch altijd hard voor u gewerkt?" Voordat de vader tijd had om te antwoorden kwam er een prachtige koets aanrijden, bespannen met zes paarden. Een koets met een koetsier en twee prachtig geklede lakeien achterop. Eerst dacht de molenaar, dat die koets wel voorbij zou rijden. Maar nee hoor! Ze hield voor de molen stil. En uit die koets kwamen drie prinsen naar buiten. Allemaal in prachtige kleren. Ze gingen de molen binnen. Intussen waren er ook nog twee grote wagens aan komen rijden. Die werden door zeker wel honderd kabouters leeggehaald. En alles werd naar de molen gebracht.
„Ziezo, daar zijn we weer, vader, en lieve zuster," riepen de drie broers uit. De molenaar en zijn dochter wisten niet, hoe ze het hadden. Wat moest dat allemaal betekenen?
„Kent u ons niet meer terug?" vroeg de oudste zoon. „Kijk eens goed! We zijn uw drie zonen. Kom, drink maar eens op onze thuiskomst." Hij had een glas wijn in zijn hand. Daarin was een gedeelte van de toverdrank van de kabouters gedaan. Hij gaf het glas aan zijn vader. De oude man had al in jaren geen wijn meer geproefd. Hij dronk het glas dan ook in één teug leeg. En zie! Hij veranderde helemaal. Hij liep op zijn drie zonen toe. Hij omarmde hen. En de tranen liepen over zijn wangen. „Wat een geluk, dat jullie weer bij ons zijn," riep hij uit. Nu namen de jongens hun zuster bij haar hand. En ze brachten haar naar de kamer, waar de prachtige bruidskleren door de kabouters waren neergelegd. O! Het meisje keek haar ogen uit. Ze wist niet, dat er zoveel moois op de aarde was. En tenslotte het zilver, het goud, en de edelstenen! Alles lag daar in de molen opgestapeld. Er was haast geen plaats meer over. De vader begreep, dat ze nu schatrijk waren.
Nadat de kabouters alles binnengebracht hadden, vroegen ze, of hun meester hun nog wat te bevelen had. „Nee!" zei de jongste molenaarszoon. „Alles is in orde." „En ... eh ... mag ik dan mijn mutsje weer terug?" vroeg de ene kabouter. „Ja, natuurlijk. Maar op één voorwaarde." „En die is?" „Dat er nooit meer mensen in het onderaardse slot gevangen worden gehouden en als slaven worden behandeld. Want denk erom: als ik daar maar iets van merk, dan vang ik honderd padden. En die laat ik door de opening in de Groene Bergen op jullie los." „Hu ... hu ..." schreeuwden de kabouters. Die waren doodsbang voor padden. „Nee! Nooit meer zullen we iemand gevangen nemen. En mocht u nog eens wat van ons nodig hebben, kom dan maar naar de Groene Bergen en we zullen altijd voor u klaarstaan." Daarna greep de kabouter snel zijn mutsje. Hij zette het op. En direct werden alle kabouters weer onzichtbaar. De drie zonen van de molenaar waren nu prinsen geworden. Ze lieten voor zichzelf en voor hun vader elk een prachtig paleis bouwen. Want daar hadden ze nu geld genoeg voor. Het duurde niet lang, of er kwam een knappe en machtige prins uit een ver land. En die vroeg aan hun zuster met hem te trouwen. Dat deed ze graag. En ze vertrok met haar bruidskleren met de prins naar het verre land.
De drie zonen van de molenaar trouwden later ook allemaal met mooie prinsessen en vroegen aan de vader met hen mee te gaan. Maar die deed dat niet. Die wilde alléén blijven. En hij bleef wonen in het mooie huis, dat zijn zonen voor hem hadden laten bouwen. „Waarom zou ik met mijn zonen, de drie prinsen, meegaan," dacht hij. „Ik heb hier zelf een prinsheerlijk leven." En zo werden ze allemaal gelukkig. En de molen? zul je vragen. Die gaf de molenaar aan een arme man, die daar vlakbij in het dorp woonde. Hij hoefde er niets voor te betalen. De man werkte hard en verdiende er uitstekend zijn brood mee.

De mooiste sprookjes. Jan de Groot
Land van herkomst: Duitsland