De verloren weddenschap

Er liep eens een graanhandelaar over een eenzame landweg. Zoals alle handelaren liep hij in zichzelf te klagen over de slechte tijden en de geringe verdiensten. Toen hij een boer zag die dezelfde kant uitging, dacht hij: "Dat is een buitenkansje! Laat ik eens proberen hoe ik die boer er tussen kan nemen."Hij verhaastte zijn tred en had hem spoedig ingehaald. Nadat zij elkaar hadden gegroet, zei de koopman: "Ik dacht er juist over na hoe saai het is alléén te moeten reizen. Staat u mij toe dat ik u gezelschap houd?"Daar heb ik niet het minste bezwaar tegen", antwoordde de boer," maar waarover zullen wij het hebben? Een stadsmens, zoals u, heeft waarschijnlijk weinig interesse in verhalen over sla en uien, of over koetjes en kalfjes."O, ik heb al iets leuks bedacht", zei de koopman. "Wij zullen elkaar het meest dwaze verhaal vertellen wat er te bedenken is, en wie laat merken dat hij de ander niet gelooft, moet honderd piasters betalen.
 
Is dat afgesproken?"Wel ja", zei de boer," ik vind het een uitstekend idee; alleen heb ik niet zoveel fantasie en daarom mag u beginnen."Het is al een hele tijd geleden", begon de koopman," dat ik over deze weg liep en een handelaar tegenkwam die aan het hoofd liep van een stoet kamelen die met koopwaar waren beladen. Zij waren aan elkaar gebonden door een lang koord dat van hun neus naar hun staart liep. De stoet was wel een halve mijl lang en ik telde precies 101 kamelen die alle even groot en sterk leken." De boer had natuurlijk nog geen aanleiding om aan de echtheid van het verhaal te twijfelen, maar hij was vastbesloten om niets te laten merken als het verhaal al te dol werd. "Ik was juist met tellen gereed", ging de koopman verder," toen er plotseling een grote arend uit de hemel neerdook en de voorste kameel in zijn klauwen greep. Het arme dier spartelde wel wat tegen, maar de arend vloog met hem weg en de honderd andere kamelen bengelden er achteraan."En wat gebeurde er toen?"vroeg de boer nieuwsgierig, terwijl hij zijn meest domme gezicht trok.
 
"Toevallig zat een prinses in de paleistuin om haar haar door een slavin te laten kammen. Toen zij die vreemde stoet door de lucht zag zweven, riep zij verrukt uit: "Hemeltje, een wonder! Vader, kom eens gauw kijken!" Maar de sultan scheen niets te horen en de slavin ging rustig door met haar haar te kammen. Precies boven hun hoofd liet de arend de voorste kameel los en toen vielen alle kamelen in het linkeroog van de prinses."Dat arme ding!"mompelde de boer medelijdend. "Het zal je maar gebeuren!"De prinses stond op en terwijl zij met haar hand in haar oog wreef, riep zij uit: "O, wat een pijn! Er moet iets in mijn oog zijn gevallen."Laat mij maar eens kijken", zei de slavin. Zij opende het ooglid en viste er een kameel uit die zij in haar zak stopte. "Het doet nog steeds zeer", klaagde de prinses.
 
De slavin haalde er stuk voor stuk alle kamelen uit en borg deze goed op in haar zak. "En toen?"vroeg de boer. "Toen niets meer", zuchtte de koopman. "Ik weet trouwens niets meer te bedenken, en nu is het jouw beurt." De boer dacht even na, schraapte zijn keel en begon: "Je moet weten dat mijn vader een rijk man was. Hij bezat vijf koeien, drie span ossen en een dozijn buffels, om van de geiten en de schapen nog maar te zwijgen. Maar het meest was hij gesteld op een grijze merrie. Ik moet zeggen dat ik nog nooit in mijn leven zo"n prachtige merrie heb gezien.
 
Op een goede dag, of liever een kwade, reed hij op dit paard naar de markt. Hij zat op een door hem zelf gevlochten zadel, waarvan een paar uitstekende punten in de huid van het dier drongen en ernstige wonden veroorzaakten. Nu was het juist aan het eind van de zomer, de tijd dat er veel regen valt, maar door de wind ook veel stof wordt opgewaaid. Met het stof kwamen er ook een paar graankorrels in de wonden terecht, en omdat het daarna begon te regenen, begonnen de graankorrels te ontkiemen. In een ommezien was het bovenlijf van de merrie met graanstengels bedekt. Het begon ook opzij en bij de buik van het paard uit te botten, zodat zij op het laatst wel op een wandelend graanveld geleek. Mijn vader kwam handen tekort om het graan te oogsten en moest hiervoor vreemde arbeiders aanstellen. Midden in deze drukte kwam uw vader bij mijn vader en vroeg hem een paar manden graan te leen.
 
Hij zou deze later wel betalen. Mijn vader was zo gek om uw vader op zijn woord te vertrouwen, maar deze heeft er nooit een cent voor betaald." De boer keek zijn metgezel nu doordringend aan, maar de koopman prevelde slechts getallen, terwijl hij met de vingers van zijn rechterhand bewegingen maakte alsof hij geld aan het tellen was. "Wat is er met u aan de hand?"vroeg de boer. "Wanneer dat verhaal waar is", zei de koopman," en ik heb ook geen reden om er aan te twijfelen, zie ik mij genoodzaakt u honderd piasters als schadevergoeding uit te betalen."En hij voegde de daad bij het woord. Op het ogenblik zegt men in Turkije nog steeds tegen een schuldenaar: "Geef mij nu het geld, of geef anders het graan terug." .

Een Volksverhaal uit Turkije
voor 11 jaar en ouder